Sinds de middeleeuwen is Gent een belangrijke ambachtelijke en pre-industriële stad. Het was de uitvalsbasis voor de eerste industriële revolutie op het vasteland, op het einde van de 18e eeuw.
Vele getuigenissen van de eerste en tweede industriële revolutie werden verschroot en gesloopt vanaf de jaren 1970. Het Gentse stadsbestuur spande zich in om machines en objecten te bewaren. Voor het eerst was er sprake van een museum waarin de symbolen van de industriële cultuur een plaats zouden krijgen.
De administratie van het MIAT was oorspronkelijk gehuisvest in het Stadsarchief in de Abrahamstraat. Later verhuisde het museum naar het Gewad, vlakbij het Gravensteen. In 1985 kreeg het MIAT de voormalige katoenspinnerij Desmet-Guequier toegekend als depot. In 1989 oordeelde het Gentse stadsbestuur dat deze fabriek de meest geschikte locatie was voor het MIAT.
In het voorjaar van 1991 verhuisde het MIAT naar de katoenspinnerij aan de Minnemeers, samen met de toen al grondig uitgebouwde museumbibliotheek en het documentatiecentrum. Het museum focuste zich naast tijdelijke tentoonstellingen ook op de ontwikkeling van een permanente tentoonstelling
Het MIAT geeft op meer dan 1800 m² een historisch overzicht van de industriële samenleving. Duik 250 jaar terug in de tijd. Het verhaal van de eerste industriële revolutie en de opkomst van de machine verneem je in de tentoonstelling Ons industrieel verleden. Voor de gevolgen van de industriële revoluties bezoek je de pas vernieuwde tentoonstellling WereldWijdWerken.
De tentoonstelling Katoenkabaal focust op de industriële productie. Met als voorbeeld de verwerking van de katoenplant tot een afgewerkt katoenproduct. Als aanvulling op deze textielafdeling is er de museumtuin met diverse verfplanten. Deze planten worden nog steeds gebruikt voor het plantaardig verven van textiel in de workshops van het museum.